Gardner, genie of charlatan?

Gardner wordt als grondlegger van de wicca zowel bewonderd als verguisd. Hoe dat komt probeert dit artikel duidelijk te maken. Het artikel is gebaseerd op Het boek The triumph of the Moon van prof. Ronald Hutton (rechts).  

Op 52 jarige leeftijd in 1936 vestigde Gardner zich als pensionado in Londen na een leven als koloniaal ambtenaar en amateur antropoloog in Ceylon, Borneo en Maleisie. Gedurende die tijd heeft hij zich verdiept in de lokale geschiedenis, tradities en religies, het bovennatuurlijke en in het bijzonder in heilige wapens, zoals Krismessen.
Uit deze fascinatie is later de athame voortgekomen. Terug in Engeland gaf hij zich uit als Dr. In de antropologie aan de universiteit van Singapore en stortte hij zich op de lokale folklore en archeologie.

In 1938 verhuisde hij naar Christchurch waar hij zich aansloot als adviseur bij het Rosicrucian Theatre en via welk gezelschap hij in contact kwam met ‘Old’ Dorothy Clutterbuck een overlevende van een oude historische heksenkring, The New Forest coven, die hem in 1939 inwijdde en met wie hij tot laat in de 40er jaren samenwerkte. In 1946 bezocht hij Aleister Crowley en werd hij door hem ingewijd in de hoogste graad van de OTO  (Ordo Templi Orientalis). Na Crowley’s dood in 1947 werd hij benoemd tot de nieuwe leider van de OTO in Europa, maar daar zag hij in 1949 uiteindelijk van af vanwege zijn werk aan de promotie van witchcraft. Na in romanvorm het een en ander over de nieuwe religie onthuld te hebben, zag wicca in zijn basisvorm uiteindelijk in 1954 het licht in zijn boek Witchcraft Today. Sinds 1950 verschenen delen van zijn Book of Shadows dat in i964 na zijn overlijden in zijn geheel gepubliceerd werd Aldus Gardner’s beknopte biografie.

De vraag die Hutton trachtte te beantwoorden is of Gardner inderdaad op een oude heksenreligie gestuit was of dat hij het allemaal zelf verzonnen had. Zijn onderzoek heeft aangetoond dat om te beginnen Old Dorothy zeer waarschijnlijk een schuilnaam was voor zijn vriendin Dafo, een Rozenkruizer van het theater, met wie hij in de voorbereidende fase het nodige aan rituelen gedaan heeft, samen met een aantal leden van de naturistenvereniging waarvan hij lid was. Of Dafo voortkomt uit een oude coven is niet bewezen, maar het tegendeel ook niet. Feit is wel dat Dafo zich snel terugtrok en nergens meer van wilde weten toen de media zich op de nieuw ontdekte witchcraft stortte. Al met al is het een net iets te mooie kasteelroman dat een aantal society dames als coven verscholen in de traditie van de Rozenkruizers een eeuwen oude religie in stand hielden en direct nadat ze Gardner tegenkwamen hem daarin inwijdden. Als het om een kruidenheks uit een boerendorp gegaan zou zijn had het geloofwaardiger geweest.

Bovendien viel het Doreen Valiente op, toen zij de teksten van het BOS kreeg, dat veel van de zogenaamd overgeleverde teksten rechtstreeks uit de boeken van Crowley waren gekopieerd. Gardener gaf als reden aan dat de teksten slechts fragmentarisch aan hem waren geleverd en hij ze had moeten aanvullen om tot een samenhangend geheel te komen. Dat komt nogal vreemd over, want van Dafo en haar Rozenkruizers moet verwacht worden dat ze in staat moeten zijn om een samenhangend ritueel samen te stellen. Dit staat ook enigszins haaks op zijn bewering n de coven  inwijd te zijn en meegedraaid te hebben.

Dus de beweringen van Gardner over de originaliteit van de overlevering lijken zowel in de Clutterbuck als de Dafo variant logischerwijs onhoudbaar, maar wellicht nam hij anderen in bescherming, dat zal altijd onzeker blijven.

Hutton voegt er een derde meer logische, maar evenmin bewezen, veronderstelling aan toe.
Nadat Gardner terugkwam uit de Oost profileerde hij zich als dokter in de antropologie en heeft hij onderbroken door WO II uiteindelijk verschillende belangrijke bestuursfuncties ingenomen in Folk-Lore en de Acient Druid Order. Gedurende de oorlog as hij in Christchurch bij het Rozenkruizer Thaeter terecht gekomen en heeft hij zich samen met Dafo verdiept in magische rituelen. Na de oorlog kreeg hij de mogelijkheid om de OTO in Engeland weer tot leven te brengen en heeft op basis van werk van Crowley, Mathers en de Golden Dawn werk een soort grimoire geschreven voor de OTO: Ye Bok (Het Boek). In 1949 zag hij om wat voor reden dan ook van OTO af (trekken aan een dood paard?). Hierna ging hij verder met zijn in de oorlog gewekte belangstelling voor hekserij en vormde Ye Bok om in het Boek der Schaduwen. Het enige originele wat hij zelf aan het BOS heeft toegevoegd zijn de rituelen met de zweep.

Conclusie: Dat Gardner de wicca zelf samengesteld heeft, in plaats van overgeleverd gekregen heeft als een oude heksenreligie, lijkt het meest waarschijnlijk. Dat hij niet in zijn eerste leugen gestikt is moge blijken uit zijn valse dokterstitel. Desalniettemin heeft hij wel een pakkend concept neergezet. Met de marketing van zichzelf en zijn product was niets mis en laten wij eerlijk zijn: een door een gerenommeerd antropoloog herontdekte heksenreligie komt aanzienlijk beter over als ‘’kijk eens wat een leuke religie ik als amateur bedacht heb’’. Gardner is zowel geniaal als een charlatan, maar hij heeft niemand benadeeld.