Gardner, genie of charlatan?

Gerald Gardner (1984-1964) wordt als grondlegger van de wicca zowel bewonderd als verguisd. Hoe dat komt probeert dit artikel duidelijk te maken. Het artikel is gebaseerd op het boek The triumph of the Moon van prof. Ronald Hutton (rechts)en en het boek In search of the New Forest coven van Philip Heselton..  

Op 52 jarige leeftijd in 1936 vestigde Gardner zich als pensionado in Londen na een leven als koloniaal ambtenaar en amateur antropoloog in Ceylon, Borneo en Maleisie. Gedurende die tijd heeft hij zich verdiept in de lokale geschiedenis, tradities en religies, het bovennatuurlijke en in het bijzonder in heilige wapens, zoals Krismessen (uit deze fascinatie is later de athame voortgekomen, maar dat terzijde). Terug in Engeland gaf hij zich uit als Doctor in de antropologie aan de universiteit van Singapore (een leugen, maar in die tijd moeilijk controleerbaar) en stortte hij zich op de lokale folklore en archeologie.

In 1936 leerde hij bij een Londense naturistenvereniging Edith Woodward (Dafo) kennen, waarmee hij een meer dan vriendschappelijke relatie kreeg. Dafo hield zich bezig met Oosterse spiritualiteit, waarmee Gardner wel bekend was, en voelde dat ze in een vorig leven als heks verbrand was. In 1938 verhuisden beiden met hun partners naar Christchurch waar zij zich aansloten bij het Rosicrucian Theatre. Een deel van de leden hiervan waren al in aanraking gekomen met Oosterse (Theosofie) en Westerse (Golden dawn, Vrijmetselarij, Rozenkruizers, Ancient Druid Order) mysterietradities en/of lokale folklore, zoals het gebruik van kruiden en het vieren van seizoensfeesten. Zo ontstond een netwerk van  belangstellenden in wat toen Wica genoemd werd, maar van een echte coven zoals wij die vandaag de dag kennen was geen sprake. ‘Old’ Dorothy Clutterbuck, die als Gardner als één van de hksen genoemd wordt fasciliteerde alleen door een groot tuinhuis aan de groep ter beschiking te stellen voor bijeenkomsten. Zelf nam zij niet deel. Hieruit kunnen wij vaststellen dat de New Forst coven naar alle waarschijnlijkheid een vezinsel is, evenals het van generatie op generatie doorgeven van een heksengeloof. Wel is hetnaturlijk zo dat folklore en kruidenkennis binnen gemeenschappen en families werd doorgegeven, maar dat is niet hetzelfde. In 1939 werd Grdner in de vriendengroep ingewijd gevolgd door een sexuele rite met Dafo met wie hij tot 1952 een relatie onderhield. Dafo haakte af nadat Gardner in haar idee teveel de publiciteit zocht met zijn in 1945 gestichet hekserijmuseum op het nabij gelegen eiland Wight en zijn beide romans over hekserij. In 1954 publiceerde Gardner zzijn belangrijkste werk Witchcraft Today. Feitelijk is het boek geschreven als een soort afscheid van hekserij omdat het niet meer in de tijd paste. Geheel onverwacht kreeg de belangstelling voor Wic(c)a door het boek juist een opleving.  Zijn pupil en opvolgster Doreen Valiente is uiteindelijk de ware vormgeefster van de hedendaagse wicca geoworden. 

Zijn belangrijkste bron was de kennis van Dafo en haar vriendenkring. In 1946 bezocht Gardner Aleister Crowley en werd hij door hem ingewijd in de hoogste graad van de OTO  (Ordo Templi Orientalis). Na Crowley’s dood in 1947 werd hij benoemd tot de nieuwe leider van de OTO in Europa, maar daar zag hij in 1949 uiteindelijk van af vanwege zijn werk aan zijn romans waarin hij een en ander over de heksenreligie onthulde.

Het viel Doreen Valiente op, toen zij de teksten van het BOS van Gardner kreeg, dat veel van de zogenaamd overgeleverde teksten rechtstreeks uit de boeken van Crowley waren gekopieerd. Gardner gaf als reden aan dat de teksten slechts fragmentarisch aan hem waren overgeleverd en hij ze had moeten aanvullen om tot een samenhangend geheel te komen. Dat komt nogal vreemd over, want van Dafo en haar Rozenkruizers moet verwacht worden dat ze in staat moeten zijn om een samenhangend ritueel samen te stellen. Hutton voegt er een meer logische, maar evenmin bewezen, veronderstelling aan toe.
Nadat Gardner terugkwam uit de Oost profileerde hij zich als doktor in de antropologie en heeft hij onderbroken door WO II uiteindelijk verschillende belangrijke bestuursfuncties ingenomen in Folk-Lore en de Acient Druid Order. Gedurende de oorlog as hij in Christchurch bij het Rozenkruizer Thaeter terecht gekomen en heeft hij zich samen met Dafo verdiept in magische rituelen. Na de oorlog kreeg hij de mogelijkheid om de OTO in Engeland weer tot leven te brengen en heeft op basis van werk van Crowley, Mathers en de Golden Dawn werk een soort grimoire geschreven voor de OTO: Ye Bok (Het Boek). In 1949 zag hij om wat voor reden dan ook van OTO af (trekken aan een dood paard?). Hierna ging hij verder met zijn in de oorlog gewekte belangstelling voor hekserij en vormde Ye Bok om in het Boek der Schaduwen. Het enige originele wat hij zelf aan het BOS heeft toegevoegd zijn de rituelen met de zweep.

Conclusie: Dat Gardner de wicca zelf samengesteld heeft, in plaats van overgeleverd gekregen heeft als een oude heksenreligie, lijkt het meest waarschijnlijk. Dat hij niet in zijn eerste leugen gestikt is moge blijken uit zijn valse dokterstitel. Desalniettemin heeft hij wel een pakkend concept neergezet. Met de marketing van zichzelf en zijn product was niets mis en laten wij eerlijk zijn: een door een gerenommeerd antropoloog herontdekte heksenreligie komt aanzienlijk beter over als ‘’kijk eens wat een leuke religie ik als amateur bedacht heb’’. Gardner is zowel geniaal als een charlatan, maar hij heeft niemand benadeeld.